Speerpunt Ecosysteem- en Landschap Services (SELS)Doel: "Het ontwikkelen van kennis over kwantificering, afweging en financiering van ecosysteem- en landschapservices en over de relatie tussen landschapfuncties, ruimtelijke kenmerken en sociaal-culturele, ecologische en economische waarde, t.b.v. planning, beheer en inrichting van duurzame groene en blauwe ruimte." 1. InleidingDuurzame ontwikkeling behelst o.a. dat het behoud en de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen voor huidige en toekomstige generaties gewaarborgd is. Dit doel dient een geïntegreerd onderdeel te zijn van besluitvorming over de ontwikkeling en het gebruik van de "groene en blauwe" ruimte. Deze besluitvorming is in essentie het afwegen van belangen, in zowel ruimte als tijdsdimensies, en dient volgens de principes van democratische besluitvorming met heldere criteria en op navolgbare wijze te geschieden. De vraag is echter om welke belangen het gaat, hoe die kunnen worden gewogen, op welke ruimtelijke schaal en op welke tijdschaal, en door wie? De complexiteit van dit vraagstuk wordt extra groot in de context van twee tegengestelde bestuurlijke trends: enerzijds een globaliseringstrend (waarin belangen wereldwijd worden verknoopt, bijvoorbeeld door internationaal klimaatbeleid) en anderzijds een trend naar regionalisering en democratisering, waarbij lokale stakeholdergroepen met elkaar het ruimtegebruik van de toekomst bepalen. In Nederland spreken we sinds de Nota Ruimte over gebiedsontwikkeling, waarbij de nadruk ligt op het besluitvormingsproces, sterke lokale gerichtheid, samenwerking tussen overheid en private actoren, ruimte voor lokale creativiteit en initiatieven, en een grote rol van kennis over het gebied. In andere democratische maatschappijen zien we dezelfde tendens. Ten einde in deze bestuurlijke complexiteit recht te doen aan het behoud van natuurlijke hulpbronnen, dient kennis over het functioneren van die hulpbronnen beschikbaar en bruikbaar te zijn op alle relevante besluitvormingsniveaus. Wat zijn, op het schaalniveau van het landschap, precies de natuurlijke hulpbronnen waar het om gaat, en waarom voldoet de bestaande kennis niet aan de voorwaarden van toepassing in de praktijk? Ecosystemen en mozaïeken van ecosystemen (landschappen) hebben tal van voor welvaart, welzijn en welbevinden van de mens noodzakelijke functies. Deze notie is echter moeilijk kwantificeerbaar voor en vertaalbaar naar gebiedsontwikkeling. Bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkeling wordt daarom, op diverse schalen, nog niet of nauwelijks rekening gehouden met deze functies. Dat heeft onder meer tot gevolg dat investeringen in groenblauwe structuren niet (kunnen) worden beoordeeld op hun toegevoegde economische en/of sociaal-culturele waarde, en dat actoren in gebiedsontwikkeling niet kunnen inzien welke voordelen het investeren in ruimtelijke kwaliteit voor hen oplevert, in termen van welvaart, welzijn en welbevinden. In metropolitane landschappen (stedelijke landschappen en rurale landschappen onder stedelijke invloed) zijn deze publieke waarden geconcentreerd in een beperkt deel van het landschap, namelijk dat deel dat niet wordt gebruikt voor voedselproductie, wonen en werken. De belangen die daarmee verbonden zijn liggen dus bij bewoners en ondernemers in het gebied zelf, in de aangrenzende stedelijke omgeving, en op grotere afstand. In rurale landschappen buiten de stedelijke sfeer en in landschappen waar natuurlijke processen domineren kunnen zowel waarden als belangen ruimtelijk anders verdeeld zijn. De actoren die investeren zijn lang niet altijd ook degene die de service benutten; deze kunnen zelfs op grote afstand zitten. Bij het kwantificeren van ecosysteem- en landschapsservices gaat het dus zowel om de functies die services leveren, als wel om investeringen in deze functies en de investeerders, als om het meetbaar maken van de baten (in relatie tot de benutters) daarvan. Daarbij geldt dat een functie pas een service is, indien de functie aan een belang (een begunstigde, een afnemer) kan worden gekoppeld. Functies van ecosystemen en landschappen zijn verbonden met fysieke structuren. Bij de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkeling gaat het daarom ook over de condities: (eg. type, oppervlakte, kwaliteit, ruimtelijke rangschikking) als voorwaarde voor het gewenste niveau van de service. Besluitvormers in gebiedsontwikkeling dienen dus (volgens de principes van duurzame ontwikkeling) een verbinding te kunnen leggen tussen het gewenste niveau van ecosysteem- en landschapsservices in een regio, en de condities die daar functioneel voor nodig zijn. Anders gezegd: bij een functie hoort een ruimtelijk ontwerp dat die functie ondersteunt. Bij zo’n ruimtelijk ontwerp of beleid hoort ook een investeringsplan, waarbij afwegingsvragen van kosten (kosteneffectiviteit), baten (kosten-batenanalyse) en financieringsarrangementen een rol spelen. In de context van ruimtelijke planning en ontwerp is deze relatie onderwerp van onderhandeling tussen belangengroepen, en worden gewenste niveaus van functioneren afgestemd op haalbare condities. Dit gebeurt meestal in een cyclisch planproces, met per onderdeel een verschillende behoefte aan de vorm waarin kennis is gegoten. 2. Vraagstelling vanuit beleid / kennisvragen De maatschappelijke vraag naar kwantificeren van nut en noodzaak van functies van de groene en blauwe ruimte is sterk in opkomst. De urgentie wordt geïllustreerd door FES-claims voor groene investeringen door de ministeries van VROM, LNV en V&W, die het niet haalden omdat de economische onderbouwing niet voldeed aan de criteria van het CPB. Dat heeft volgens LNV en VROM onder meer te maken met de slechte identificatie en kwantificeerbaarheid van economische kosten en baten van investeringen in de groenblauwe ruimte, en van de niet op groene investeringen toegesneden (want te korte) periode waarover het rendement wordt berekend. De vraag naar kennis op het landschapsniveau blijkt ook uit de resultaten van het congres van het MNP over investeren in groene kwaliteit van landschappen (26 september 2006), en een workshop van Habiforum en het Innovatienetwerk Agrocluster over hetzelfde onderwerp (24 oktober 2006). Actueel en concreet klinkt o.a. de vraag vanuit de Nationale Landschappen die wel ambities meekrijgen van het rijk maar geen budget, zodat de provincies zich met de vraag geconfronteerd zien hoe een gezond businessplan kan worden opgesteld. In haar advies van juni 2005, getiteld "Recht op Groen" vraagt de Raad voor het Landelijk Gebied kennisinstellingen het maatschappelijke rendement van groene kwaliteit zichtbaar te maken voor bestuurders en andere betrokken partijen, in het bijzonder voor leefbaarheid, gezondheid, lokale economie, en biodiversiteit. De Raad legt er de nadruk op, dat deze kennis wordt ingepast in integrale beleids- en planvorming. Dezelfde noodzaak tot kwantificeren van nut en noodzaak van functies van de groene en blauwe ruimte wordt ook geformuleerd binnen het nationaal programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK). In de concept beleidsstrategie van het ARK (januari 2007), momenteel in voorbereiding voor de tweede kamer en een van de pilaren van het nieuwe milieubeleid van Balkenende IV, stellen de ARK ministeries op meerdere plaatsen binnen hun strategie dat meer inzicht nodig is in financiële en economische instrumenten en mechanismen om beter in staat te zijn de lange termijn kosten en baten van adaptatie op verschillende schaalniveaus in de besluitvorming te betrekken. De daaruit voortvloeiende kennisvragen voor de Groene en Blauwe Ruimte zijn nader beschreven in de Quickscan Kennisaanbod en -leemten in Klimaatbestendigheid (Downloadbaar op: www.programmaark.nl). De vragen vanuit het beleid (met name VROM en LNV) zijn samen te vatten in de volgende hoofdvragen: 1) Welke functies van de groene en blauwe ruimte dragen bij aan de ecologische duurzaamheid, de economische waarde en de sociaal-culturele kwaliteit van de ruimte? 2) Hoe kan deze toegevoegde maatschappelijke waarde in verband worden gebracht met ruimtelijke en milieukenmerken van te ontwikkelen gebieden? 3) Hoe worden deze functies beïnvloed door autonome ontwikkelingen, zoals klimaatverandering, en hoe kunnen de functies bijdragen aan het robuuster maken van de Groen-Blauwe Ruimte voor deze autonome ontwikkelingen? 4) Welke landschapsfuncties zijn combineerbaar en hoe kan multifunctioneel ruimtegebruik geoptimaliseerd worden (mede i.r.t. adaptatie aan klimaatverandering)? 5) Welke landschapsarchitectonische en stedenbouwkundige ontwerpeisen komen daaruit voort, en hoe zijn die inpasbaar in de huidige ontwerppraktijk? 6) Welke financieringsinstrumenten en voorwaarden zijn nodig voor aantrekken publieke en private investeringen in groene kwaliteit? 7) Hoe kunnen de kosten en baten van deze investeringen uitgedrukt en gekwantificeerd worden, rekening houdend met spreiding van deze kosten en baten in ruimte, actoren en tijd ? 8) Verbonden hiermee is de vraag naar de mogelijkheden en grenzen van standaardisering: op welke manier kunnen kentallen (kentallenboek) helpen bij de waardering van functies en hoe moet daarbij worden omgegaan met aggregatiestappen? 9) Hoe kan deze kennis worden verbonden met besluitvorming over investeren in groen/blauwe kwaliteit? De accenten die deze vragen krijgen variëren per beleidsterrein. VROM is sterk geïnteresseerd in recreatief gebruik en omgevingskwaliteit van de ruimte in en nabij de stad, en de samenhang met het investeringsklimaat voor bedrijven. Bij LNV ligt het accent op cultuurhistorische, recreatieve, en ecologische aspecten van de Ecologische Hoofdstruktuur (EHS), van Nationale Landschappen en andere Multifunctionele plattelandsgebieden, als basis voor een duurzame toekomst van deze gebieden. 3. Probleemstelling waar dit speerpunt zich op richtHet onvermogen om ontwikkeling van en investeringen in de kwaliteit van de groenblauwe ruimte te vertalen in ecologische, sociaal/culturele en economische kosten en baten voor een reeks van gebruikers van die ruimte, wordt breed als een groot struikelblok ervaren om te komen tot duurzaam multifunctioneel ruimtegebruik. Er is weliswaar in de wetenschap een toenemende aandacht voor ecosystem services, maar zelden op het schaalniveau van regio’s, zelden ruimtelijk expliciet, en zelden in de context van besluitvoming in gebiedsontwikkeling. In dit speerpunt wordt, in de context van deze besluitvorming, nagegaan welke kennis moet worden opgebouwd om de genoemde grootheden (condities, functies, services, baten en investeringen) te kwantificeren en hoe dergelijke verbanden tussen functie en vorm zijn door te vertalen naar sociaal/culturele en economische belangen op verschillende schaalniveau´s. Wij richten ons in dit speerpunt vooral op de problematiek van gebiedsontwikkeling op lokaal en regionaal niveau, en de consequenties van besluitvorming voor hogere schaalniveau’s, rekening houdend met (inter)nationale randvoorwaarden en verdragen (bijvoorbeeld m.b.t. Biodiversity, Stedelijke Ontwikkeling, Kaderrichtlijn Water) . We veronderstellen dat in besluitvormingsprocessen over gebiedsontwikkeling het behoud van natuurlijke hulpbronnen volwaardig en kwantitatief moet kunnen worden meegewogen, en dat kennis en kennisbeschikbaarheid daarbij op dit moment een limiterende factor is. Doel van het speerpunt is tweedelig: 1) het beantwoorden van de vraag welke wetenschappelijke kennis nodig is t.b.v. besluitvorming m.b.t. duurzaam multifunctioneel ruimtegebruik, en in welke vorm deze beschikbaar moet zijn; 2) het ontwikkelen van die kennis voor in de context van KB thema 1 en 2 belangrijke kennisleemten (eg. relatie landschapseigenschappen en functies, en adaptatie aan klimaatverandering en ruimtegebruik). Samenvattend kan gesteld worden dat het Speerpunt zich richt op "Het ontwikkelen van kennis over kwantificering, afweging en financiering van ecosysteem- en landschapservices en over de relatie tussen landschapfuncties, ruimtelijke kenmerken en sociaal-culturele, ecologische en economische waarde, t.b.v. planning, beheer en inrichting van duurzame groene en blauwe ruimte." (dus: "van kwantificering via optimalisering naar financiering"). 4. Vraagstelling Voor het verwezenlijken van voornoemde doelstelling zijn de volgende hoofdonderzoeksvragen geformuleerd: Het uitwerken van een theoretisch raamwerk voor de relatie tussen fysieke kenmerken en de functies van het landschap enerzijds en de services en hun maatschappelijke waarde anderzijds, in een gradiënt van stedelijke, metropolitane, rurale, semi-natuurlijke en natuurlijke situaties: 1) Kwantificering van de relatie tussen ruimtelijke kenmerken op regionaal niveau en de output van services, en expliciet maken van eventuele kritische drempelwaarden; 2) Het ontwikkelen van waarderingsmethoden voor het meetbaar maken van relaties tussen services en parameters die de meerwaarde voor de mens in de regio weergeven. Ontwikkeling van kennis over de wijze waarop informatie over ecosysteem- en landschapsservices wordt en kan worden toegepast in gebiedsontwikkeling met een actieve participatie van actoren uit het gebied: 3) Ontwikkeling van afwegingsmethoden voor planalternatieven m.b.t. landschapsfuncties; 4) Ontwikkeling van ontwerpmethoden voor planning, inrichting en beheer van de groene en blauwe ruimte. 5) Het ontwikkelen van financieringsmethoden voor het investeren in en benutten van ecosysteem- en landschapsservices. Zie Figuur 1 voor de visualisering van de onderzoeksvragen en samenhang daartussen. Voor de beantwoording van deze vragen zal nauw samengewerkt worden met enkele andere speerpunten (o.a. Veerkracht en Gebiedskunde), alsmede met de meest relevante BO-programma’s (o.a. Financieringsmechanismen voor ecosysteembeheer).
(1) linking landscape character and function to services, including threshold analysis Figure 1 Visualisering van de belangrijkste onderzoeksvragen van het speerpunt, De nummers (1-5 en bijbehorende kleuren) geven ruwweg de 5 SELS themagroepen weer (zie 5.2) 5. Aanpak en fasering 5.1 Fase 1 (2006)In de aanloopfase (augustus-december 2006) van het Speerpunt zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: - Definitiestudie en werkplanontwikkeling: ontwikkeling van een analytisch kader ("raamwerk", zie Fig. 1), vaststellen (kern-) onderzoekstappen en onderwerpen en keuze landschapsfuncties en (eco)systemen waar het Speerpunt zich vooral op richt (eg. gradiëntaanpak en metropolitane landschappen);
- Eerste aanzet wetenschappelijk artikel: gericht op het ontwikkelen van een visie op de relatie landschapkwaliteit en functies en identificeren kennislacunes;
- Inventarisatie WUR expertise m.b.t. Speerpuntthema: opstellen overzicht van WUR-expertise op onderzoeksvragen (1-5);
- Selecteren pilotstudies: Eerste verkenning van koppeling Speerpuntvragen aan lopend onderzoek; medefinancieren van enkele pilotstudies uit deel van Speerpuntgelden;
- Identificeren van enkele PhD-trajecten om de verschillende vragen in detail te kunnen beantwoorden en als bindmiddel tussen de Speerpuntprojecten.
5.2 Fase 2 (2007)Een belangrijke uitkomst van fase 1 was het idee om een 5-tal PhD-trajecten in gang te zetten, waarmee het hele aandachtsveld van het Speerpunt gedekt kan worden (zie Fig. 1). Door deze PhD-trajecten te koppelen aan concrete projecten (deels reeds lopend, deels door SELS in gang gezet) wordt efficiënt gebruik gemaakt van schaarse middelen en ontstaat een grote meerwaarde om binnen het Speerpuntkader samen te werken. Om deze samenwerking te versterken, en organisatorisch in te bedden zijn een 5-tal themagroepen geformeerd: Kwantificeren van de relatie tussen landschapeigenschappen en functies, aangeven drempelwaarden m.b.t. afgeleide "goederen en diensten", en ruimtelijke weergave daarvan; Waardering van landschapfuncties (meerwaarde van "groene en blauwe" landschapsfuncties t.b.v. mens en maatschappij: ecologisch, economisch en sociaal-cultureel); Ontwikkeling van afwegingsmethoden voor planalternatieven m.b.t. landschapfuncties (t.b.v. optimalisatie van multifunctioneel ruimtegebruik), o.a. maatschappelijke of natuur-inclusieve Kosten-Baten Analyse; Ontwikkeling van ontwerpmethoden voor inrichting en beheer van de "groene en blauwe" ruimte (rekening houdend met veerkracht en drempelwaarden m.b.t. landschapsfuncties); Ontwikkeling van financieringsmechanismen voor behoud en duurzaam beheer van landschapsfuncties.
Naast het verder ontwikkelen van deze Themagroepen en daaraan gekoppelde PhD-trajecten zijn de volgende activiteiten gepland in fase 2 (2007): Afronden definitiestudie en wetenschappelijk artikel; over hoe wetenschappelijk informatie over ecosysteem & landschap services bij kan dragen aan betere besluit- en planvorming. Selectie en uitvoering van een aantal case studies, gekoppeld aan de 5 hierboven genoemde thema’s (en gerelateerde PhD-trajecten); Afronden expertise verkenning en profileren SELS-netwerk binnen WUR (het plan is om een Wageningen-breed "Platform Landscape & Ecosystem Services" op te richten en eind 2007 een WUR symposium te organiseren rond dit thema); Versterken nationale samenwerking en aquisitie-activiteiten (o.a. middels participatie in het Platform Natuurwaardering & Financiering(www.naturevaluation.org); in maart 2007 organiseert dit Platform een Kennisagendadag i.s.m. LNV-DK m.b.t. "verbrede financieringsmechanismen").
Verwachte resultatenSamengevat, verwachten we hierbij de volgende wetenschappelijke output: Overzichtsartikel over de wetenschappelijke kennis die benodigd is om landschapsservices te gebruiken als natuurdoelen in de ruimtelijke planvorming Per thema (1-5) een concept-artikel over de state-of-the art mbt het betreffende onderwerp; Artikelen in het kader van de promotietrajecten en gerelateerde casestudies; Presentaties op symposia en workshops, gebaseerd op casestudies; Organisatie van een wetenschappelijk symposium over ecosysteem- en landschapsservices, gebaseerd op en georganiseerd door de vijf themagroepen.
|